Speerpunten

Hoe optimaliseren we samen de kwaliteit van opvang en educatie in Utrecht? Richtinggevend zijn de 13 speerpunten uit het UKK 2017. Alle speerpunten zijn voorzien van normen, die zo concreet mogelijk zijn geformuleerd. Zo kunnen ze ook - in de dagelijkse praktijk - worden gebruikt als checklist. Bij sommige speerpunten zijn drie niveaus geformuleerd, waarmee je in stappen naar de normen toe kunt werken.

1. Warme relaties: Zorg voor een positieve sfeer en warme relaties in de groep

Kinderen ontwikkelen zich altijd in relatie tot de ander.

Niets is daarom zo belangrijk als warme, veilige relaties waarbij een sfeer van gezelligheid, vrolijkheid en enthousiasme  zorgt voor positieve emoties. Je bevordert de warme relatie tussen de kinderen en tussen jou en de kinderen doordat iedereen  naar elkaar luistert. De gesprekken die plaatsvinden hebben een positieve toon. Je toont respect voor de kinderen in hoe je ze aanspreekt. Bedank kinderen voor hun inbreng en inzet en complimenteer hen. Nodig kinderen uit om dat ook zo naar elkaar te doen. Wees nabij door tussen de kinderen in te zitten en mee te spelen. Conflicten tussen kinderen horen er bij, maar als er conflicten zijn zorg je ervoor dat ze snel opgelost worden zodat ruzie voorkomen kan worden. Reik kinderen strategieën aan om conflicten samen op te lossen en ruzie te voorkomen.

Norm

  • Je bevordert dat alle kinderen het grootste deel van de tijd positieve emoties ervaren. 
  • Je leert kinderen conflicten op te lossen en ruzie te voorkomen.

2. Gevoelig oog: Heb een gevoelig oog voor de behoeften van kinderen

Kinderen ontwikkelen zich als ze zich veilig voelen.

Kinderen hebben het nodig om gezien en gehoord te worden. Daarom is het belangrijk om gevoelig te zijn voor hun emoties en daar op een goede manier op te reageren. Hiermee creëer je veiligheid en vertrouwen.Ook ontlenen jonge kinderen veiligheid aan duidelijkheid en voorspelbaarheid. Zorg daarom voor herkenbare routines en rituelen die eindeloos herhaald mogen worden. Houd alle kinderen voortdurend goed in het oog. Zorg ervoor dat je de eerste tekenen van verdriet ziet bij een kind, zodat je snel troost kunt bieden. Het is goed als je meteen ziet dat een activiteit frustratie oproept bij een kind omdat iets niet goed lukt. Dan kun je het kind snel ondersteuning bieden.

Als kinderen om aandacht vragen, geef je hen die op een positieve manier. Je bent duidelijk naar kinderen over welk gedrag je van hen verwacht en je laat aan kinderen merken dat je het ziet als ze het goed doen.

Norm

  • Je ziet en hoort alle kinderen.
  • Je maakt duidelijk welk gedrag je verwacht.
  • Je bekrachtigt positief gedrag.
  • Je biedt kinderen veiligheid door herkenbare routines en rituelen.

Good Practice - Peuters: Gevoelig oog

Dit bericht werd geplaatst op

In deze clip zien we hoe de PM’er relaties tussen kinderen bevordert. Door kinderen aan te moedigen aan elkaar te vragen of ze mee mogen doen met hun doen-also...

Lees meer...

3. Ga mee: Ga mee met de kinderen

Kinderen ontwikkelen zich als hun initiatieven er toe doen.

De ontwikkeling van kinderen in sociaal-emotioneel en cognitief opzicht bevorder je door aan te sluiten op hun
initiatieven en inzichten, waarbij je de ontwikkelingsdoelen in het oog houdt. Je gaat mee met kinderen als ze met zinvolle, uitdagende, stimulerende activiteiten bezig zijn. Je verbindt het initiatief van het kind aan het plan wat je zelf in je hoofd hebt. Je volgt je eigen plan maar stelt je flexibel op door de inbreng van het kind te volgen, erop in te gaan, erop voort te borduren en uit te breiden. Dit is iets anders dan kinderen de volle vrijheid geven. Je verbindt jouw eigen bedoelingen waar mogelijk aan de ideeën en initiatieven van kinderen.

Norm 

  • Je geeft de kinderen binnen de activiteiten die jij hebt bedacht en gepland zoveel mogelijk ruimte om keuzes te maken, initiatieven te nemen of eigen inzichten en ervaringen in te brengen.
  • Je volgt de inbreng van kinderen op een betekenisvolle manier en geeft er uitbreiding aan.
  • Je houdt het doel van de activiteit en de grote lijn van het verloop ervan in het oog, terwijl je zoveel als mogelijk mee gaat met de initiatieven en ideeën van kinderen. 

In drie niveaus

  1. Het maken van keuzes ligt vooral bij de volwassenen en in mindere mate bij de kinderen. De keuzes zijn sterk voorgestructureerd. Eigen initiatieven van kinderen worden alleen bevestigd als dit past in de uitgezette lijn van de volwassenen. Betekenisvol volgen wordt als moeilijk ervaren omdat dit de lijn van het programma doorbreekt en daarmee de structuur van en overzicht over de groep. Met andere woorden, kinderen volgen jou.
  2. Keuzes en initiatieven van kinderen hebben een plaats in het dagelijks aanbod, passend in jouw uitgezette lijn. Betekenisvol volgen en dit uitbreiden wordt als moeilijk ervaren. Zelf sturen heeft nog steeds de overhand.
  3. Keuzes en initiatieven van kinderen zijn toonaangevend in het dagelijks aanbod. Je volgt, observeert en breidt activiteiten betekenisvol uit en er is voldoende tijd en aandacht voor kinderen met speciale ontwikkelingsbehoeften.

100 talen van een kind

Dit bericht werd geplaatst op

Voor zowel ouders als professionals kan het meebewegen met een kind een uitdaging zijn. Jij hebt een doel voor ogen, maar het kind is druk in zijn of haar eigen...

Lees meer...

4. Verantwoordelijkheid: Geef kinderen meer verantwoordelijkheid

Kinderen ontwikkelen zich door belangrijk te mogen zijn.

Kinderen kunnen in toenemende mate al veel zelf en het is voor hen belangrijk dat je gebruik maakt van hun hulp, bijvoorbeeld bij het klaarzetten en opruimen. Daar groeit hun zelfvertrouwen en hun gevoel van competent zijn van. Kinderen helpen graag en ze denken graag mee. Het maakt hen trots om belangrijk te mogen zijn. Geef kinderen een stem door hen de mogelijkheid te geven om te kiezen, mee te denken of door ze te betrekken bij het nemen van een besluit. Kinderen zijn nooit te jong om belangrijk te zijn, en door hen deel te maken van vaste routines rondom de activiteiten geef je hen dagelijks dat gevoel.

Norm

  • Je laat kinderen zoveel mogelijk meehelpen, te beginnen bij verzorgingsroutines (fruit, drinken, lunch).
  • Je leert kinderen om zelf speelgoed of verf en tekenmaterialen te pakken en op te ruimen.
  • Je leert kinderen verantwoordelijkheid nemen om te participeren.

In drie niveaus

  1. Kinderen helpen op vaste momenten bij dagelijkse routines zoals opruimen, klaarzetten van materialen enzovoorts.
  2. Met de kinderen wordt besproken wat ze zelf kunnen. Hun eigen verantwoordelijkheid voor elkaar en voor materialen wordt regelmatig benoemd en bevestigd; hun inbreng is nog sterk gekoppeld aan de vaste momenten van de dag.
  3. In voor- en nagesprekken met kinderen wordt besproken hoe zij zelf gehandeld hebben. Er is vertrouwen in de zelfredzaamheid van kinderen en het is een vanzelfsprekend onderdeel van de dagelijkse interactie.

5. Gebruik de tijd: Gebruik de tijd zo goed mogelijk

Kinderen ontwikkelen zich als ieder moment hiervoor benut wordt.

Er is kostbare tijd te winnen als kinderen soepel over kunnen gaan van de ene naar de andere activiteit. Je zorgt ervoor dat alles klaarligt en voorbereid is. Je werkt aan de hand van een voorspelbare dagindeling en een duidelijke planning. Je geeft kinderen zelf een belangrijke rol in klaarzetten en opruimen.

Ook als je kinderen de gelegenheid geeft elkaar te helpen en te ondersteunen, levert dit tijdswinst op. Als ze weten wat van hen verwacht wordt, kunnen ze dat prima.

Ook de manier waarop de ruimte is ingericht is van belang bij het efficiënt omgaan met tijd. Op deze manier zorg je ervoor dat kinderen hun eigen weg in de ruimte en naar de materialen goed weten te vinden.

Zorg ervoor dat je de observaties van kinderen op een efficiënte manier vormgeeft, zodat je de rust en de tijd hebt om spel, gedrag en taakaanpak te observeren, te begeleiden en vast te leggen.

Norm

  • Je beperkt tijdverlies tot een minimum.
  • Je gebruikt een vast dagschema dat door de kinderen herkend wordt.
  • Je geeft de kinderen taken bij het klaarzetten en opruimen.
  • Je leert kinderen elkaar te helpen en te ondersteunen.
  • Je zorgt ervoor dat alle kinderen steeds zoveel mogelijk bij de activiteiten betrokken zijn.
  • Je zorgt voor observatie- en begeleidingstijd.
  • Je zorgt dat kinderen hun weg naar materialen en in de ruimte goed weten te vinden en goed kunnen bereiken.

Vooruit met de groep!

Dit bericht werd geplaatst op

Om structuur aan te brengen in de dag maak je als pedagogisch medewerker gebruik van een programma met vaste en flexibele onderdelen. Kinderen doen afwisselend mee i...

Lees meer...

6. Terloopse momenten: Grijp de kansen, benut terloopse leermomenten

Kinderen ontwikkelen zich de hele dag door.

Alle activiteiten die je doet met de kinderen en voor de kinderen, bevatten leerzame momenten en mogelijkheden voor een rijk taal- en rekenaanbod. Je brengt voortdurend jouw kennis en ervaring in, waardoor je de woordenschat verrijkt en kennis vergroot. Of je nu met een grote groep of kleine groep werkt, of je nu fruit aan het uitdelen bent of een andere activiteit uitvoert, het zijn allemaal kansen voor leerzame momenten. Met het goed benutten van al die momenten benut je de ontwikkelingskracht van kinderen en daarmee vergroot je ook de opbrengst van je werk.

Norm

  • Je geeft woorden aan alles wat je doet.
  • Je bespreekt en beschrijft voortdurend je eigen handelingen en dat van de kinderen.
  • Je legt uit waarom je iets doet en waarom je het doet zoals je het doet.
  • Je stimuleert kinderen om zoveel mogelijk te vertellen en uit te leggen.
  • Je legt tijdens gesprekken met de kinderen verbindingen met hun eigen ervaringen.
  • Je herkent kansen voor uitbreiding van kennis of woordenschat en grijpt die.

In drie niveaus

  1. De dagplanning is bepalend voor de doelgerichte inbreng. Tijdens overgangsmomenten is er meer aandacht voor de activiteit op zich, dan dat er sprake is van een doordacht taalaanbod of denkondersteuning.
  2. Op vaste momenten worden handelingen en werkwijzen onder woorden gebracht. Het is nog niet voldoende bewust opgenomen in het dagelijks handelen omdat het nog afhankelijk is van het moment.
  3. Je verwoordt continu wat je doet. Je ondertitelt als het ware alles wat er gebeurt. Het is een vanzelfsprekendheid geworden. Je prikkelt kinderen zoveel mogelijk om ook zelf te vertellen.

7. Met een doel: Handel opbrengstbewust door te werken met een doel

Kinderen hebben het nodig dat hun ontwikkeling doelbewust gestimuleerd wordt.

Het spelen en werken van kinderen breng je op een hoger plan door er een doel aan te verbinden dat is afgestemd op het ontwikkelingsniveau en de interesse van de kinderen. Kennis van de ontwikkelingslijnen van kinderen is hiervoor essentieel. Gebruik het kindvolgsysteem om de ontwikkeling van kinderen doelbewust te observeren. Tijdens de voorbereiding van het thema zijn de ontwikkelingslijnen en de doelen die hieruit voortkomen richtinggevend.  

Norm

  • Je kent de ontwikkelingslijnen van kinderen .
  • Bij de themavoorbereiding neem je doelen op, gerelateerd aan de ontwikkelingslijnen.
  • Je observeert de ontwikkeling van kinderen met behulp van het kindvolgsysteem.
  • Je legt je observaties schriftelijk vast en je gebruikt ze bij het vormgeven van je aanbod.

8. Spel: Zorg voor fantasie- en rollenspel

Kinderen ontwikkelen zich door met plezier te spelen.

Spel is onmisbaar in de ontwikkeling van kinderen. Kinderen beleven plezier aan spel en door middel van spel ontwikkelen zij zich. Spelen is de wereld ordenen en rangschikken. Ieder kind heeft de natuurlijke behoefte om te spelen. Je richt de hoeken rijk in, afgestemd op de verschillende spelniveaus van kinderen. Je zorgt ervoor dat de kinderen door het aanbod in de hoeken nieuwsgierig en enthousiast worden. Je past je hoeken aan, aan de wisselende thema’s. Je maakt de diversiteit van de groep zichtbaar in de inrichting van de hoeken. Je zorgt voor een afwisseling tussen vrij en begeleid spel. Je observeert de kinderen tijdens hun spel en je geeft indien nodig impulsen die het spel naar een hoger niveau tillen.

Norm

  • Je geeft alle kinderen volop de kans om te spelen.
  • Je richt de speelhoeken rijk en betekenisvol in zodat die kinderen uitnodigen tot spelen.
  • Je zorgt ervoor dat de diversiteit van de groep terug te zien is in de inrichting van de speelhoeken.
  • Je zorgt voor een afwisseling tussen vrij en begeleid spel.
  • Je stimuleert kinderen die niet vanzelf tot spel komen.

In drie niveaus

  1. De omgeving is rijk ingericht met interessante hoeken waarin materialen aanwezig zijn. Kinderen mogen materialen verkennen en worden begeleid in het spel: van manipuleren en functioneel spel naar rollenspel.
  2. Binnen een rijke spelomgeving wordt meegespeeld met kinderen. Kinderen betekenisvol volgen binnen dit spel wordt regelmatig toegepast, maar moet nog bewust worden voorbereid.
  3. Er worden vanuit observaties bewust spelimpulsen gegeven. De spelimpulsen sluiten aan op het spelniveau van de kinderen en verrijken het spel.

9. Voorlezen: Gebruik voorlezen om ‘gevorderde (academische) taal’ aan te bieden

Kinderen ontwikkelen zich door taal die hun ervaringen ondersteunt en hun wereld vergroot.

Voorlezen is leuk en voorlezen is goed. Gebruik daarvoor verhalende en informatieve boeken met illustraties die de
tekst ondersteunen waardoor de inhoud nog meer betekenis krijgt. Door voor te lezen bied je kinderen complexe taal aan. Je kunt de inhoud van het boekje verbinden aan de eigen ervaringen van de kinderen. Je kunt kinderen stimuleren na te denken over het waarom van dingen die gebeuren en over de motieven van personages. Bij voorlezen hoort ook praten over het verhaal. Ga moeilijke woorden hierbij niet uit de weg, maar neem ze op in het gesprek en leg op die manier terloops de betekenis van die woorden uit met behulp van woorden die de kinderen wel al kennen. Inspirerende, op het thema aansluitende verhalende en informatieve teksten brengen complex, gevorderd taalgebruik op gang. Ze bevatten veel verschillende woorden: nieuwe en moeilijke woorden, lange zinnen, aparte woorden zoals voegwoorden en betekenisvol met elkaar verbonden zinnen (omdat, daardoor, waarmee). Dit is wat bedoeld wordt met ‘academische taal’, omdat het soort woorden en zinnen al sterk lijkt op de taal die later op school aan de orde komt.

Norm

  • Je zorgt ervoor dat praten en nadenken over verhalen of teksten door middel van voorlezen vaste prik is voor alle kinderen en iedere dag plaatsvindt, het liefst in een klein groepje.
  • Je ondersteunt het voorlezen door de taal te ondersteunen met de bijbehorende gelaatsexpressie, gebaren en bewegingen of met bepaalde voorwerpen die in het verhaal voorkomen.
  • Je biedt kinderen ook regelmatig gesproken taal aan door zelf een verhaal te vertellen, waarbij je er rekening mee houdt dat de woorden die je gebruikt van voldoende niveau zijn.
  • Je gebruikt de illustraties om de tekst beter begrepen te krijgen. Je bespreekt wat er te zien is, je gebruikt hierbij de woorden die bij de tekst horen, en je legt deze woorden zo nodig goed uit.


In drie niveaus

  1. Elke dag wordt er voorgelezen en verteld en gepraat vanuit inspirerende, op het thema aansluitende, verhalende en informatieve teksten. Betekenisvolle inbreng binnen het kader van het verhaal wordt als passend ervaren. Er wordt gezocht naar een balans tussen de inbreng van kinderen en jouw eigen inbreng (wijze van vertellen, voorlezen).
  2. Voorlezen en vertellen zijn vaste dagelijkse activiteiten. Er is interactie, kinderen denken mee. Het verhaal is nog sterk leidend.
  3. Voorlezen, vertellen, gesprekjes voeren en samen nadenken over de tekst en de eventuele illustraties zijn vaste terugkerende activiteiten op de dag met kleine groepjes kinderen. Naast het voorgelezen verhaal of de vertelling is er ruimte om met de kinderen te praten en het verhaal te verwerken. Als vanzelf worden nieuwe moeilijke woorden ingebracht, besproken en herhaald.

Dit speerpunt betreft een deel van de taalontwikkeling . Er is gekozen om binnen dit kader niet de gehele taalontwikkeling te beschrijven omdat deze in het Utrechts Taalcurriculum 0-8 jaar volledig is uitgewerkt.

10. Ontdekken: Gebruik activiteiten en wetenschap & techniek om ‘gevorderde taal’ aan te bieden!

Kinderen ontwikkelen zich door spelenderwijs van alles uit te proberen en te ontdekken.

Activiteiten die betrekking hebben op wetenschap en techniek leiden bijna vanzelf tot gevorderde taal, vooral als je kinderen vraagt dingen te verklaren of te voorspellen of te beredeneren. Wetenschap en techniek klinkt groot, maar het kan om heel simpele dingen gaan en je hebt er geen hele bijzondere materialen bij nodig. Een paar spiegels, een ballon, rietjes en watjes, een waterbak met spullen die kunnen drijven of die zinken, een digitaal fototoestel, een lampje en iets waarmee je schaduwen kunt maken, zaden en pitten, een tuintje waarin dingen groeien, lego of Knexx om een constructie te maken: het is allemaal ‘wetenschap en techniek’.

Norm

  • Je geeft kinderen bij elk thema de gelegenheid om samen met andere kinderen onder begeleiding een ontdekactiviteit te beleven.
  • Je stimuleert de kinderen om de materialen te verkennen en je laat ze verklaren, voorspellen en beredeneren wat ze zien.
  • Je gebruikt woorden zoals ‘verklaren’ en ‘voorspellen’ en je brengt academische taal in.
  • Je bereidt de activiteit goed voor waardoor je zoveel mogelijk ontwikkelingskansen weet te benutten.

In drie niveaus

  1. Bij ieder thema wordt bewust een ontdekactiviteit ingebracht.
  2. Ontdekactiviteiten vormen een bewust onderdeel van ieder thema. Het samen ontdekken en daarbij denkstimulerende vragen stellen op het denkniveau van de kinderen is in ontwikkeling.
  3. Bij ieder thema zijn ontdekactiviteiten een vanzelfsprekend onderdeel. Er zijn altijd ontdekmaterialen aanwezig voor de kinderen. Kinderen worden voortdurend uitgedaagd om eigen oplossingen te zoeken en deze oplossingen met elkaar te delen. Je stelt voortdurend denkstimulerende vragen aan de kinderen.

11. Tellen, meten en meetkunde: Gebruik tellen, meten en meetkunde om de wereld van kinderen te vergroten.

Kinderen ontwikkelen zich door informatie en uitleg te krijgen over de wereld om hen heen. 

Rijk ingerichte hoeken bieden heel veel kansen om kinderen kennis te laten maken met tellen, meten en meetkunde. Benut daarnaast terloopse momenten om rekentaal in te brengen. Te denken valt aan het eet- en drinkmoment waarin je vragen kunt stellen als: “Wat zal er zwaarder zijn, de sinaasappel of de appel?” Of bij het naar buiten gaan kun je de vraag stellen: “Hoeveel stappen is het lopen naar de deur?” Je kunt ook doelgericht activiteiten aanbieden die uitlokken tot het opdoen van rekenervaringen, zoals het vergelijken van lengtes van voorwerpen.

Norm

  • Je benut terloopse momenten voor het inbrengen van rekentaal.
  • Je zorgt voor een rijke speelleeromgeving waarin kinderen rekenervaringen kunnen opdoen.
  • Je biedt vanuit het thema doelgerichte activiteiten aan waarmee je kinderen ervaring laat opdoen op het gebied van tellen, getalbegrip, meten en meetkunde (peuters en kleuters).
  • Je biedt vanuit het thema doelgerichte activiteiten aan waarmee je werkt aan de doelen op het gebied van tellen, getalbegrip, meten en meetkunde (kleuters).

In drie niveaus

  1. Je geeft kinderen bij elk thema de gelegenheid om rekenervaringen op te doen.
  2. Je plant doelgerichte activiteiten in die kinderen de gelegenheid geven om rekenervaringen op te doen.
  3. Je benut volop terloopse momenten om kinderen rekenervaringen op te laten doen. Je zorgt voor een rijke spelomgeving die kinderen de mogelijkheid biedt om rekenervaringen op te doen. Jouw kennis van de ontwikkelingslijnen is uitgangspunt voor een doelgericht aanbod.

12. Voeten van de vloer: Bied kinderen voldoende mogelijkheden om te bewegen

Kinderen ontwikkelen zich met hun hele lijf en met al hun ledematen. 

Bewegen is essentieel voor de ontwikkeling van de grote motoriek. Kinderen bewegen graag. Niet alleen omdat het
leuk is, maar ook omdat het hen helpt om de wereld te ervaren en daardoor beter te begrijpen. Bewegen helpt kinderen om hun omgeving actief en ontdekkend te verkennen. Bewegen helpt hen ook om hun gevoelens te uiten. Het is fijn als je hen hiervoor uitnodigt door activiteiten als dans en drama aan te bieden.

Bewegen is ook belangrijk bij het leren van taal. Geef kinderen de gelegenheid om begrippen als onder, boven, voor,
achter of naast al bewegend te ervaren. Hierdoor zullen deze begrippen betekenis krijgen en beter opgeslagen worden in het geheugen van kinderen.

Je helpt jonge kinderen om contact te leggen met hun groepsgenoten door ze mee te laten doen aan bewegingsspelletjes. Door middel van deze bewegingsspelletjes leren ze van alles: samen spelen, het plezier van winnen of het verwerken van een teleurstelling.

Bied jonge kinderen elke dag voldoende gelegenheid om buiten te spelen. Niets zo gezond als samen met andere kinderen spelen in de frisse buitenlucht!

Norm

  • Je biedt de kinderen dagelijks de gelegenheid om te bewegen door buiten te spelen.
  • Je biedt de kinderen de gelegenheid om al bewegend hun gevoelens te uiten door middel van dans of drama.
  • Je verrijkt de taal van kinderen door hen tijdens het bewegen de betekenis van begrippen te laten ervaren.
  • Je biedt kinderen de mogelijkheid om contact te leggen met leeftijdsgenootjes door middel van bewegingsspelletjes.

13. Cultuur: Bied kinderen de gelegenheid om hun creativiteit te ontwikkelen

Kinderen ontwikkelen zich door zich te verwonderen.

Jonge kinderen zijn van nature creatieve ontdekkingsreizigers. Alles wat ze zien, horen, ruiken en voelen is nieuw, is spannend en brengt hen op ideeën. Spelenderwijs ontdekken zij zichzelf en de wereld om hen heen.

Het is van belang om deze blik van verwondering vast te houden. Ga uit van de creatieve kracht van ieder kind. Om deze creatieve kracht verder te ontwikkelen geef je ruimte aan het individuele creatieve proces. Stel gedurende het proces steeds vragen, waardoor het kind leert zijn eigen ervaringen en gevoelens te verwoorden. Dit bevordert de eigenheid van ieder kind. Je bent je bewust van het feit dat cultuur vele vormen kent. Je biedt kinderen de kans om zich op het gebied van muziek, dans, theater en beeldend werken te ontwikkelen.



Norm

  • Je vult de ruimte met materialen die betekenisvol zijn en kinderen uitdagen tot creativiteit en verwondering.
  • Je geeft kinderen de ruimte om te experimenteren met materialen, bewegingen of klanken.
  • Je activeert de kinderen om op eigen wijze vorm te geven aan hun ervaringen, emoties en ideeën.
  • Je zorgt dat kinderen gezien worden en trots kunnen zijn, door naar elkaar te kijken en te luisteren.
  • Je stelt vragen aan kinderen zodat ze zich verder kunnen ontwikkelen in hun creativiteit.